Sunday, April 13, 2008
Si può fare?
Maar ook politiek gezien zijn er veel overeenkomsten. Een volk krijgt de regering die het verdient, en daarom zitten de VS al een jaartje of acht opgezadeld met hun Terror President, terwijl Italië al vanaf begin jaren negentig in de dwingende houdgreep ligt van Il Cavaliere - de alom verguisde mediamagnaat Berlusconi die zich naar eigen zeggen in zijn vrije tijd bij voorkeur verdiept in, hoe toepasselijk, Erasmus' De lof der zotheid.
Nu is er in beide landen de hoop dat alles eindelijk anders wordt. De Italiaanse Obama heet Walter Veltroni, schrijver en journalist, tot voor kort burgemeester van Rome, en met zijn 52 jaar een groentje in de Italiaanse politiek (voor de goede orde, Berlusconi is al 71, de president nadert de 90). Veltroni heeft zich nadrukkelijk laten inspireren door Obama en zijn boodschap ('Yes We Can, grazie'), en op een zonnige winterdag afgelopen februari beloofde hij op Obamaeske wijze, maar dan wel in een setting die je enkel in Italië vindt, het land weer hoop en vooruitgang namens zijn nieuwe partij, de Partito Democratico - zelden verraadde een partijnaam zoveel over de politieke status quo. Si può fare heet de officiële campagneleus die Veltroni toen lanceerde tegen het décor van de Umbrische heuvels rond Spello - en die leus was niet de enige verwijzing naar Obama. Jovanotti (bekend van 'L'ombelico del mondo') en een verbasterd YMCA vullen sindsdien Veltroni's spotjes met Italiaanse wansmaak op Amerikaanse leest geschoeid. En net als bij Obama vindt iedereen het prachtig, zoals moge blijken uit dit mierzoete, oer-Italiaanse filmpje (let op de zonnebril!).
Niettemin, uiteindelijk loopt de vergelijking spaak. Obama maakt een gerede kans om ook echt de verkiezingen te gaan winnen, maar Veltroni, arme Veltroni, is geen partij voor, wie anders, Berlusconi. Niemand zal ooit helemaal begrijpen waarom zoveel Italianen nog steeds geen genoeg van hem kunnen krijgen, maar dit filmpje licht misschien een tipje van de sluier: op de vraag van een serieuze jongedame wat zijn plannen zijn voor jonge koppels met weinig geld en geen baan, antwoordt Berlusconi dat zij altijd kan trouwen met één van zijn zonen, natuurlijk allen multimiljonairs. 'Met jouw glimlach kan je je dat best permitteren', zegt hij - en het meisje, zo blijkt duidelijk, reageert niet zozeer verontwaardigd als wel opgelaten om zoveel vleierij. Berlusconi's bijnaam is niet voor niets Cavaliere, hij combineert de verleidingskunsten van een gelikte troubadour met de listige verdeel-en-heers scrupules van een adellijk heerschap, en belichaamt zo de Italiaan pur sang. Berlusconi is Italië, en daarom kiest Italië Berlusconi.
Het zal er morgen om spannen, maar wie tegen zessen 's avonds hoort dat Berlusconi weer aan de macht is moet niet verbaasd zijn. En ook al wint Veltroni nipt, dan zal hij, net als z'n voorganger Prodi, geteugeld blijven door het bit van de Cavaliere. Want in de Italiaanse politiek geldt eigenlijk maar één axioma: Non si può fare. E basta.
Saturday, April 12, 2008
Renaissance v. Cubs
Op de niet-meer-zo-vroege donderdagmorgen is er de keus uit ondermeer de sessies 'Early Modern Horror', 'Constructing Marginality in Renaissance Art' , 'Negotiating Semantic Space in Early Modern Women's Writing' , 'A Sexual Renaissance: Secrets, Surprises, Scandals', en nog zo wat meer. Verbouwereerd staar ik naar het programma van de, zegge en schrijve, zestien verschillende panels over 'Dress and Identity'. Waar zou dat over gaan? Mijn eerste stilzwijgende suggestie, iets als 'Gendering Textiles in Renaissance Performativity', blijkt niet eens al tezeer bezijden de waarheid. Maar gelukkig zijn er nog veel meer opties. Ik voeg me bij een slaperig gezelschap en vang wat vage klanken op over (hoor ik dat nou goed?) 'Transatlantic Hybridization'. Het geheel wordt voorgezeten door de absolute personificatie van de academica Berkeley-style: een kordate blik achter een groene, hoekige bril, en een snerpend stemgeluid onder kort opgeschoren rode stekels met een ongeverfde witte kuif. Net een vogeltje, eigenlijk. Maar dan met een cv van 20 pagina's.

In charmanter gezelschap vlucht ik naar andere contreien. Wrigley Field is de thuisbasis van de baseballers van de Chicago Cubs, en rond het middaguur bereiden duizenden zich al vast voor op de wedstrijd van de dag. Het bier vloeit natuurlijk rijkelijk en ik moet even wennen aan het plotselinge verschil in conversatie. Op bezoek zijn de Milwaukee Brewers, en hier geen "How wonderful to see you again", maar een luidkeels "Fuck Brewers Fuck!"
Het taalgebruik weet echter niet te verbloemen dat de omgangsvormen hier zo mogelijk nog beschaafder zijn dan bij de Renaissance Society: er is nauwelijks politie, laat staan ME, geen rel of vechtpartij te bekennen. Waar zijn de hooligans? Eenmaal in het stadion knabbelt iedereen braaf op z'n pinda's, de pitcher gooit zich warm met een paar loepzuivere strakke ballen, de coaches kauwen alvast hard op hun kauwgum. Dan staat plotseling iedereen op. Petjes gaan massaal af, iemand op het veld grijpt de microfoon en verheft dan luidkeels zijn stem. De Star Spangled Banner!
Eenmaal bekomen van zoveel bravoure beland ik later weer tussen de krijtstreeppakken op het congres. Mijn sessie is aan het eind van de dag, ergens weggestopt in de bedompte kelders van het hotelcomplex, het verdomhoekje voor de netwerklozen. We zijn maar met een paar, ieder houdt z'n praatje, en stiekem hoop ik dat iemand hard "Fuck Renaissance Fuck!" roept. Maar nee, er volgt enkel een bedaarde, bescheiden discussie. Het blijft een wonderlijke praktijk, die wetenschap: naar elkaars wanstaltige jargon luisteren en vervolgens doen alsof de wereldvrede ervan hangt. En toen bekroop me een eigenaardig gevoel. Wat nou als ik eens baseballer werd?
Monday, April 7, 2008
Door County
Niet al te lang geleden liep hier de uiterste westelijke grens van de VS, de frontlinie waarachter de laatste Indianenstammen een veilig heenkomen zochten voor de oprukkende beschaving. Tocqueville nam in 1831 de moeite om een kijkje te nemen in deze uithoek van de bewoonde wereld en dronk er een glas met een van de plaatselijke cavaleristen in het fort van Green Bay. Smakelijk vertelde deze "Majoor H." de jonge Fransman over een Indiaan die, schoolgegaan in New England en in alles een gentleman, met de Amerikanen had meegevochten tegen de Engelse overheersers, maar toch zijn ware aard niet altijd kon verbloemen: gezeten bij het kampvuur na een gewonnen veldslag sloeg de Indiaan besmuikt zijn jas open, en toonde de Majoor zijn oorlogstrofee. "And I actually beheld," said Major H., "between his coat an his shirt, the scalp of an Englishman still dripping with blood".
Anno 2008 verraden de druilerige wegen en slaperige suburbs rondom Green Bay niets van dit bloederige verleden. Het gebied is nog steeds in handen van de plaatselijke Oneida-Indianen, maar die zoeken hun heil nu in prozaïscher zaken: de Soevereine Oneina Natie, zoals het reservaat officiëel heet, is vooral bekend om zijn casino's en gokpaleizen. Verder, dieper in het drassige boerenland van Wisconsin, heeft het verleden wel stilgestaan, althans voor sommigen. Bij de eerste gitzwarte koets op de weg denken we nog aan een grap of een rare freak, maar al snel volgen er meer, inclusief bordjes die waarschuwen voor, wat anders, langzaam rijdend en stilstaand koetsen-verkeer. Plotseling wordt het duidelijk. We zitten midden tussen de Amish!

'S avonds aan de boorden van Lake Michigan goddank geen negentiende-eeuwse snuisterijen maar een gemoedelijk dorpscafé weggelopen uit de jaren vijftig. We slapen in het belendende motel, en de innemende barvrouw is trots op haar zelfgemaakte kippensoep en gepaneerde bloemkool-frituur. Ze wil weten waar we vandaan komen, wat we studeren, wat de toekomst brengen zal - en zegt dan plotseling dat ze zich zelf zo'n zorgen maakt om het Midden-Oosten. Ik aarzel: wat zou er volgen, een tirade tegen moslims? Maar nee, ze doelt op de oorlog, die al teveel geld heeft gekost, teveel levens. "It's about time to get our troops home", zegt ze. Iets later komt er een forse dorpsgenoot binnen, met de letters NAVY prominent op z'n trui. Een reservist, een veteraan misschien? Hij schuift aan aan de bar, bestelt een groot glas bier, en wendt de blik naar de twee tv-schermen - prominent aanwezig in ieder Amerikaans café, van dorpskroeg tot yuppenlounge. Op de treurbuis de ontknoping van het basketball seizoen, en in de studio wordt het commentaar verzorgd door een speciale gast: George W. Bush. Wat zou de barvrouw ervan denken? Life is all about priorities?
Tuesday, March 18, 2008
Tocqueville vs Dawkins
Tocqueville is fascinerend om te lezen, niet in het minst omdat hij anno 1830 al pijnlijk precies de vinger wist te leggen op de zere plekken van dat rare continent Amerika, en tussen neus en lippen door ook nog eens feilloze kritiek levert op de gang van zaken in zijn geboorteland en de rest van de Oude Wereld. Maar minstens net zo fascinerend als Tocqueville zelf zijn de discussies in ons college - de Koreaan die zich afvraagt waarom de Indianen zijn uitgeroeid en de Koreanen niet, de jongen met bontmuts die de Europese Unie bij voorkeur de EUSSR noemt, het meisje met Poolse wortels die opmerkt dat ze in Polen, "you know, they're so, like, old-fashioned, you know, they even have their own currency, like, they're still so communist". En er is de docent, die achter Takfil the dude het brein van de door hem verachte slow-food beweging vermoedt - en daarom altijd pizza haalt voor bij het college.In de tussentijd kom ik ook nog allerlei zinnigs te weten over de VS, bijvoorbeeld dat je hier werkelijk voor alles mag stemmen: niet alleen voor de president, de landelijke Senaat, het Huis van Afgevaardigden, voor de gouverneur en het parlement van je eigen staat, voor de burgemeester en de gemeenteraad - maar ook voor rechters. Zo goed als iedere rechter wordt democratisch gekozen in de VS, en toen ik dat hoorde flapperden mijn aristocratische oren: juries zijn al tot daar aan toe, maar zelfs rechters? Zoveel democratie kan bijna niet goed zijn, dacht ik, maar voor m'n klasgenoten bleek het de normaalste zaak van de wereld. Schoorvoetend moest ik toegeven dat je in Nederland alleen maar voor het parlement en de gemeenteraad (en ach ja, die rare Provinciale Staten) mag stemmen, en dat ik dat eigenlijk wel meer dan genoeg vind ook.
Een ander intrigerend fenomeen dat Tocqueville te berde brengt is de alomtegenwoordigheid van religie in het Amerikaanse leven - en volgens Tocqueville schuilt juist daarin de kracht van de Amerikaanse democratie. Het is, ook in een stadje als Madison, inderdaad opvallend hoeveel verschillende kerken er wel niet zijn (zelfs de vrijmetselaars hebben hun eigen pompeuse tempel), en dat er desalniettemin nooit onvrede onstaat tussen al die sektes en zeloten. Europeanen hebben nog wel eens de nijging om mensen van andere geloven in treinen te stoppen en ze vervolgens te vergassen, of ze scheppen er genoegen in een heilig boek in de hens te steken. Maar niets van dat alles in de VS. Religie, het maakt niet uit welke, is hier heilig, en het is haast ondenkbaar dat een Amerikaan aanstoot neemt aan godsdienst als zodanig. Dat bleek maar weer eens de afgelopen dagen, toen er veel gepraat en gediscussieerd werd over de voormalige dominee van Obama en de nogal ontvlambare preken van deze "anti-American racist". Ik was geschokt toen ik die beelden zag, niet vanwege wát de dominee zei maar vanwege de manier waarop - zijn overslaande stem en fundamentalistische geestdrift. Maar dat bleek hier allerminst de steen des aanstoots. Wat hier de gemoederen beroerde was de kritiek van de bewuste dominee op de blanken, op God en op de natie: God damn America had hij gezegd. In Nederland zou je daar geen seconde van het nieuws mee halen, maar hier is het ijdel gebruiken van de naam des Heren en der Natie een onvergeeflijke misdaad.
Obama was een paar dagen van slag vanwege het akkefietje, maar hij maakte veel goed vandaag met een mooie speech in Philadelphia, natuurlijk weer boordevol religieuze rhetoriek (en één eenzame quote van William Faulkner). Vorige week hoorde ik een andere speech, van een ander rhetorisch uiterste: het keurige Oxbridge Engels van de vermaarde evolutie-bioloog Richard Dawkins. Dat Engels was een verademing na al het geknauw hier, en ook in ander opzicht was Dawkins een vreemde eend in de bijt. Hij is namelijk een zelfverklaard atheïst, en had de moeite genomen om helemaal naar Madison te komen voor, zoals hij het betitelde, een staaltje consciousness-raising: de boodschap dat geloven in God, zoals Bertrand Russell al zei met een typisch Engelse metafoor, even belachelijk is als geloven dat er een grote theepot door het zonnestelsel koerst.

Wie raakt er nog opgewonden van zo'n argument? Nou, dat bleek. Er waren maar liefst 1300 man afgekomen op Dawkins' lezing, en ze vonden het allemaal even "very inspiring". Dat lijkt misschien raar gezien het bovenstaande, maar dat is het allerminst: atheïsme is hier namelijk niet iets vanzelfsprekends, iets dat je voor lief neemt en er dan niet meer naar omkijkt, zoals in een goddeloze stad als Amsterdam. Integendeel, in Madison ben je een atheïst, het is het een levensophouding op zich, een overtuiging die, inderdaad, alle trekjes vertoont van een georganiseerde religie, met z'n eigen parochie, z'n eigen periodiek, en z'n eigen dominee Dawkins. Dus vandaar vondt iedereen het zo "very inspiring" - met Dawkins als de Heilige Geest.
Welgeteld één uitspraak van Dawkins zette me aan het denken. Hij claimde namelijk dat de wereld er een stuk beter zou uitzien als er geen religie zou bestaan. Twee maanden geleden had ik dat ongetwijfeld direkt beaamd, maar nu, na Tocqueville, weet ik het zo net nog niet. Die religieuze Amerikanen blijken immers toch al meer dan twee eeuwen in staat er een aardig complexe democratie op na te houden - met alle rare fratsen van dien, maar toch, een democratie waar een tweede generatie immigrant met een islamitische vader uit Kenia zomaar eens de volgende president kan worden. Want zeg nou zelf: in Nederland was een man als Obama nog steeds een allochtoon, akomstig uit een achterlijke cultuur, een kut Keniaan. Maar in het oer-religieuze Amerika wordt hij juist omdát hij de zoon van een immigrant is en zo'n verwrongen familiegeschiedenis heeft bewonderd. Zolang ie maar naar de kerk gaat.
Saturday, March 8, 2008
Brattleboro, VT
Het échte nieuws komt echter uit Vermont, het kleine staatje in New England waar Obama ook al won. In het plaatselijke gehucht Brattleboro konden de inwoners afgelopen dinsdag niet alleen stemmen voor een nieuwe president, maar ook voor het lot van de zittende. Deze vraag stond er op het stembiljet:
"Shall the Selectboard instruct the Town Attorney to draft indictments against President Bush and Vice President Cheney for crimes against our Constitution, and publish said indictments for consideration by other authorities and shall it be the law of the Town of Brattleboro that the Brattleboro Police, pursuant to the above-mentioned indictments, arrest and detain George Bush and Richard Cheney in Brattleboro if they are not duly impeached, and prosecute or extradite them to other authorities that may reasonably contend to prosecute them?"
Het resultaat van het rebelse referendum: een overweldigend ja! En zo zijn Bush en zijn kornuit Cheney hun leven niet meer zeker. Wee hun gebeente mochten deze vogelvrijverklaarde cowboys ooit terecht komen tussen de sherrifs en scherprechters van Brattleboro, VT. Rest de vraag aan welke autoriteiten ze dan zullen worden uitgeleverd. Is er niet nog een pensionnetje vrij in Scheveningen?
Friday, March 7, 2008
Linkiness
En nu is het de beurt aan de geneugten van het internet. De NY Review gunde enkele weken geleden al de coverstory aan het fenomeen van, jawel, de weblog, waarmee al 's werelds 15 miljoen actieve maar ongelezen bloggers in één klap werden toegelaten tot de literaire canon. En deze week blijkt ook het langverachte Wikipedia de goedkeuring van de boekenwurmen te kunnen verdragen: een gerespecteerd literator begaf zich achter de surrealistiche schermen van de online encyclopedie en schreef een prachtig verslag van zijn verslavende ervaringen. Niemand die zich dus nog over zijn reputatie hoeft te bekommeren als ie weer eens een hele middag van onbenullig wikipedia-artikel naar onbenullig wikipedia-artikel surft, zonder zich te herinneren naar wat ook al weer op zoek te zijn. En geen promovendus die zich nog langer zal schamen als al zijn kennis te herleiden blijkt tot het luchtledige territorium van wiki-feitjes. Want nu is het officiëel: Wikipedia mag!
En de NY Review? Dit zegt Wikipedia: 'Because of its purported insularity, the Review has sometimes been called "The New York Review of Each Other's Books"'. Een mooi medium, nietwaar?
Monday, March 3, 2008
Weiser House
We fietsen door, en bereiken langzamerhand weer de bewoonde wereld. Het eerste teken van leven is een duister sujet met een koevoet op een parkeerterrein, en al snel volgt er meer bedrijvigheid. Een armoedig schepsel verkoopt haar laatste spulletjes op straat - vier glimmende wieldoppen en een rafelig bankstel. Na de zwarte wijk volgt de Ukrainian Village, dan Pilsen, de Paseo Boricua- ooit woonden hier Oost-Europeanen, nu is de voertaal Spaans. In het Mexicaanse pannenkoekenhuis klagen ze al over gentrificación: de buurt wordt hip, de yuppen rukken op!
In het nabije 'Weiser House', een co-op van zestien man in een groot oud warenhuis op de grens van het zwarte ghetto, surfen we op de sofa. Het is een typisch kraakpand-gezelschap van bebaarde idealisten en zweverige tieners, en zoals het hoort in zo'n setting gebeurt er van alles en niets tegelijk: de een is in de weer een vrachtlading literatuur te sorteren voor het programma 'Books to Prisoners', de ander verwoed verwikkeld in het brouwen van zijn eigen bier. Veganistisch, dat spreekt voor zich, en bovendien helemaal gratis, want de bewoners halen bijna al hun proviand via dumpster diving. Maar natuurlijk, ook hier zijn er de onvermijdelijke hippe witte apple-tjes. En zoals vaker bij dit soort figuren schuilt er achter al het idealisme een naar soort naïeve verbetenheid. Het 'Weiser House' is namelijk ook een zelfbenoemd 'Activist Collective', en tot diep in de nacht wordt er bloedserieus gesproken over hoe de politie bij de volgende demonstratie wel niet moet worden bekogeld. De kabouterachtige jongen met wollige baard en pretoogjes (alleen de puntmuts ontbreekt) stelt voor eens een zelfgemaakte taser te proberen, een van de schattige meisjes vertelt lachend over die keer dat ze haar menstruatiebloed in een emmer had opgespaard als geïmproviseerde verfbom. Mijn blik wendt zich af. Achter haar, in een hoek, staat een grote tent van aan elkaar genaaide Amerikaanse vlaggen.
